Rechtsplegingsvergoeding 2.0

April 13, 2019

 

Op 10 april 2019 verscheen het Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 21 februari 2010 tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162bis van het Wetboek van strafvordering.

 

In wezen is dit de wijziging waar reeds 9 jaar op gewacht wordt, nu de wet van 21 februari 2010 een aantal wijzigingen aanbrengt in de wettelijke bepalingen met betrekking tot de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat. Met deze wet wordt een technisch bijsturing beoogd en getracht te verhelpen aan onbillijke situaties, zonder echter de aard van het systeem van de verhaalbaarheid te veranderen.

 

In navolging van het advies van de Raad van State op het voorontwerp van wet inzake de verhaalbaarheid van de erelonen wordt de formulering van het oude koninklijk besluit van 30 november 1970 tot vaststelling van het tarief van de invorderbare kosten bedoeld in artikel 1022 van het gerechtelijk wetboek, met name de zinsnede “per aanleg en ten aanzien van elke partij die door een advocaat bijgestaan wordt en een eigen belang heeft”, niet opnieuw ingevoerd in artikel 1, tweede lid.

 

De wijzigingen zijn niet zozeer drastisch te noemen, doch zullen in de praktijk zeker hun doel niet missen.

 

De RPV die in sommige rechtspraak nog werd toegekend op de tegenvordering, wordt thans definitief begraven. 

 

Strikt tekstmatig gelezen, zou een vrijwillig tussenkomende partij in deze geen recht meer hebben op een rechtsplegingsvergoeding in geval zij wint.

 

De advocaat die optreedt voor meerdere partijen, bekomt nog slechts één RPV voor alle partijen samen, ook al kunnen zij onderling elk afzonderlijk een ander procesrisico hebben.

 

Krachtens artikel 2 is geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd bij een vonnis van onbevoegdheid. In dat geval moet de rechtsplegingsvergoeding worden uitgesloten.
Op grond van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek kan immers slechts aanspraak worden gemaakt op een rechtsplegingsvergoeding wanneer een partij in het ongelijk wordt gesteld. Welnu, wanneer de rechter zich onbevoegd verklaart, doet hij geen uitspraak over de vorderingen van de partijen en wordt geen van beiden tegenover de ander in het ongelijk gesteld.


Het mag duidelijk zijn dat deze wijziging enkel betrekking heeft op beslissingen over bevoegdheid en niet op beslissingen over rechtsmacht. Wanneer een rechter zich onbevoegd verklaart, moet hij
verwijzen naar een andere rechter. Dit is evenzeer de reden waarom er in dergelijk vonnis geen rechtsplegingsvergoeding moet worden toegekend. De zaak wordt immers verder behandeld voor een andere rechter. Wanneer de rechtsmacht van een rechter wordt betwist, gaat het gebeurlijk over de vraag of een Belgische rechter bevoegd is en niet een buitenlandse. De Belgische rechter die oordeelt geen rechtsmacht te hebben, kan niet verwijzen naar een buitenlandse rechter. In die zaken moet wel een rechtsplegingsvergoeding worden uitgesproken. De zaak kent immers een definitief einde.

 

De wijziging zoals in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd vindt men hier

 

 

 

Ignace LAPLAESE 

 

Please reload

Featured Posts

I'm busy working on my blog posts. Watch this space!

Please reload

Recent Posts

January 26, 2018

Please reload

Archive